Jarenlang waren vitamine K-antagonisten (VKA) de aangewezen middelen om trombose te voorkomen en te behandelen. Deze middelen laten zich lastig instellen en in Nederland ontstond voor de begeleiding daarvan een uitgebreid netwerk van trombosediensten. Met de komst van nieuwe antistollingsmiddelen, NOAC of DOAC genoemd, zijn de kaarten anders komen te liggen.

Wat zijn NOAC precies?

NOAC (non-vitamine K-antagonisten orale anticoagulantia), ook wel nieuwe orale anticoagulantia of direct werkende orale anticoagulantia (DOAC) genoemd, zijn enkele jaren geleden naast de traditionele VKA gekomen. NOAC werken doorgaans direct en zijn snel uitgewerkt. Dat laatste kan voor een operatie bijvoorbeeld een voordeel zijn. Een patiënt kan een dag voor de operatie stoppen met de NOAC, terwijl dat bij VKA meerdere dagen is en na de operatie aandacht nodig is voor het weer goed instellen van de VKA. Omdat NOAC eenvoudig in te stellen zijn, is voor het gebruik relatief weinig begeleiding en ondersteuning nodig. De komst van deze nieuwe middelen heeft zodoende grote gevolgen voor de organisatie van de trombosezorg in Nederland. De antistollingsmiddelen kennen een vaste dagelijkse dosis en bloedcontrole is – wanneer de patiënt de dagelijkse medicatie trouw inneemt –slechts in beperkte mate nodig, waardoor de trombosedienst in feite geen rol meer heeft.

Breed inzetbare antistollingsmiddelen

Hans van Laarhoven is teammanager collectieve belangenbehartiging bij De Hart&Vaatgroep. Hij volgt de ontwikkeling rond NOAC nauwgezet. “Belangrijk is dat nu ook huisartsen de NOAC voor kunnen schrijven. Dankzij studies zijn er voldoende aanwijzingen voor een goede werkzaamheid en veiligheid”, stipt hij aan. Patiënten hebben een keuze en hoeven voor de onderhoudsdosering en controle van een NOAC niet meer langs de specialist. Dit kan via de huisarts plaatsvinden en dat betekent meer gemak voor de patiënt. Van Laarhoven stelt dat NOAC weliswaar duurder zijn dan VKA, maar dat hoge zorgkosten door bijvoorbeeld een herseninfarct op langere termijn vermeden kunnen worden.

Studies tonen aan dat deze antistollingsmiddelen effectiever zijn in het voorkomen van trombose en als negatief effect minder ernstige bloedingen geven in vergelijking met VKA. Daarnaast is het aantal indicatiegebieden uitgebreid. Aanvankelijk werden NOAC alleen ingezet na een grote heup- of knieoperatie. Daarna ook bij boezemfibrilleren om te voorkomen dat een embolie op zou treden. Vervolgens gebeurde ook de behandeling van longembolie en bestaande trombose met NOAC. Nieuw is de inzet van NOAC na het doormaken van een hartinfarct. Het is wel zaak om aandacht te besteden aan het zorgvuldig gebruik van de middelen; antistolling is altijd een risicovolle behandeling.

Huisartsen

“De huisarts krijgt een extra verantwoordelijkheid”, vertelt prof. dr. Harry Büller. Hij is hoogleraar vasculaire geneeskundige aan het AMC te Amsterdam. Waar de trombosezorg voorheen was geconcentreerd rondom de trombosediensten, is dat met de introductie van de NOAC niet langer nodig. De noodzaak om het gebruik nauwgezet te monitoren is verdwenen en zo vormt de huisarts het antwoord op de vraag wie of wat de trombosezorg bij de hand neemt. Hij constateert wel wat koudwatervrees bij de huisarts, maar hij trekt de vergelijking met diabetes en het verlenen van zorg rondom insuline. “Dat ligt ook allemaal bij de eerstelijnszorg. NOAC werken prima, je moet ze wel trouw elke dag innemen en één keer per half jaar moet de huisarts controleren of alles goed gaat. Die organisatie kan de huisarts prima doen.”

Nieuwe patiënten

Als je huisartsen de verantwoordelijkheid geeft, moet het ook mogelijk zijn hen het middel te laten voorschrijven. Büller meent dat in de praktijk de eerste voorschrijving toch vooral door een cardioloog of andere specialist zal gebeuren. Zo’n 90 procent van de nieuwe patiënten maakt er nu al gebruik van, voor mensen met veneuze trombose of atriumfibrilleren is dat al bijna 100 procent. Mensen die soms al jaren VKA gebruiken, zouden vaak de keuze kunnen maken om over te stappen naar een NOAC. Dat laatste stuk regie ligt echter bij de patiënt zelf.

Dit artikel is gepubliceerd in de bijlage ‘Hart, vaat en Longen’ verspreidt bij de Volkskrant van 12 april.